Vraagtekens

Niet betaalde oude facturen, acute BTW-herziening?

27 februari 2017

Mijn BV is de afgelopen twee jaar door een diep dal gegaan, maar gelukkig gaat het nu weer wat beter. Door die malheur liggen er nogal wat onbetaalde rekeningen. De BV gaat die uiteindelijk wel betalen, maar voorlopig lukt dat nog even niet. Mijn leveranciers weten dat ook en laten de BV met rust. De BTW op die facturen heb ik als voorbelasting in aftrek gebracht / terugontvangen. Van mijn boekhouder heb ik begrepen dat ik de BTW op die oude facturen nu ineens alsnog aan de Belastingdienst moet terugbetalen. Er schijnt per 2017 een nieuwe regeling te zijn ingevoerd waardoor die terugbetaling veel sneller dan voorheen moet plaatsvinden. Hoe zit dat?

Antwoord

Uw boekhouder heeft gelijk. Er is per 1 januari 2017 inderdaad een nieuwe regeling ingevoerd voor de herziening van omzetbelasting wegens niet-betaling. En die regeling pakt voor u ongunstig uit. Zie BelastingBelangen, oktober 2016: Belastingplan 2017: BTW-regeling voor oninbare vorderingen.
De ondernemer die een BTW-belaste prestatie verricht, moet de omzetbelasting afdragen aan de Belastingdienst. Als de afnemer vervolgens de factuur niet betaalt, kan de ondernemer die afgedragen omzetbelasting bij de fiscus terugvragen. Dat kan op het tijdstip waarop komt vast te staan dat de vergoeding ‘niet is en niet zal worden ontvangen’. Het vaststellen van dat tijdstip is soms problematisch, zeker bij een langlopend faillissement van de afnemer. De wetgever is daarin tegemoet gekomen: per 1 januari 2017 geldt een fictietermijn van één jaar. Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip dat de niet-betaling is komen vast te staan, maar in ieder geval als de afnemer de factuur na één jaar nog niet heeft betaald. Dat jaar begint te lopen op het tijdstip dat de vergoeding opeisbaar is. Dat is niet de factuurdatum, maar de datum waarop de factuur contractueel volledig betaald moet zijn.

1247_2017-01-014.jpgDe herziening is ook aangepast voor de afnemers, de ondernemers die de factuur (nog) niet hebben betaald, maar de BTW daarop wél als voorbelasting hebben verrekend. De ondernemer moet die BTW alsnog afdragen op het tijdstip dat de niet-betaling komt vast te staan, maar in ieder geval na één jaar na het opeisbaar worden van de vergoeding. Die termijn was twee jaar.

De overgangsregeling voor de per 1 januari 2017 lopende gevallen is voor het terugvorderen c.q. het afdragen van de BTW niet gelijk geregeld.
Voor het terugvorderen van BTW begint de fictietermijn van een jaar te lopen op 1 januari 2017. Dat betekent dat ondernemers het recht op teruggaaf pas ná 31 december 2017 kunnen uitoefenen. Voor het alsnog afdragen van BTW is de eenjaarstermijn direct van toepassing: voor een factuur die op 1 maart 2016 opeisbaar is geworden moet de BTW per 1 maart 2017 worden afgedragen. Voor facturen die al in 2015 opeisbaar zijn geworden is de fictietermijn per 1 januari 2016 ingegaan. Dat betekent dat de in aftrek gebrachte, maar nog niet betaalde omzetbelasting op die oude facturen in één keer verschuldigd wordt, en wel per 1 januari 2017. Dat maakt de overgangsregeling bepaald niet spiegelbeeldig: de afdracht moet per direct, en leveranciers kunnen het daarmee overeenkomende recht op teruggaaf pas per 1 januari 2018 uitoefenen. BTW-specialisten vragen zich af of deze regeling niet in strijd is met de neutrale werking van het BTW-systeem.
Terug naar boven