Vraagtekens

Onzakelijke lening: verbondenheid niet vereist

28 augustus 2017

Een onzakelijke lening is een lening, waarbij een geldverstrekking plaatsvindt ‘onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat de geldgever een debiteurenrisico loopt dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard’. Het gaat om een onzakelijk debiteurenrisico (ODR) dat onbeprijsbaar is: er kan geen (niet winstdelende) rente worden vastgesteld waarbij een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde debiteurenrisico te aanvaarden onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. De creditrice kan een onzakelijke lening niet afwaarderen als de debitrice in gebreke blijft. Daarbij is niet vereist dat creditrice en debitrice ‘verbonden lichamen’ zijn, zo heeft Rechtbank Zeeland – West-Brabant recent beslist.

Koos Naam droeg medio 2006 zijn bedrijf over aan zijn zoon. Koos’ holding BV X verkocht alle aandelen in werk-BV Y aan de holding van zijn zoon, de BV Z. De overdrachtsprijs was € 50.000, afgerond BV Y’s eigen vermogen. BV Z bleef de koopsom schuldig: afgesproken werd dat de BV die lening binnen zes maanden zou aflossen. BV Y had een schuld in rekening-courant aan BV X van € 390.141. Die schuld werd bij de aandelenoverdracht omgezet in drie leningen: een lening van € 75.000, af te lossen binnen zes maanden, een aflossingsvrije lening van € 250.000 en een derde lening tot het restant, af te lossen in 10 jaar. BV Y én BV Z losten in de daaropvolgende jaren niets af, en rentebetalingen vonden evenmin plaats. BV Y draaide niet goed, en in 2012 gingen beide BV’s van junior failliet.

1289_2017-04-011.jpgBV X waardeerde haar vorderingen op BV Z en op BV Y af tot nihil. De inspecteur accepteerde de afwaardering van de nog te vorderen koopsom, de drie leningen aan BV Y niet, dat waren onzakelijke leningen.
Rechtbank Zeeland – West-Brabant was het daarmee eens. BV X had bij de omzetting van haar vordering in rekening-courant in drie leningen een onzakelijk debiteurenrisico op zich genomen. Het eigen vermogen van BV Y was toen slechts € 50.000, de BV had geen zekerheden verstrekt en op al haar activa rustten zekerheidsrechten van de bank. De Rechtbank vond aannemelijk dat in de berechte situatie geen rentevergoeding kon worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest om datzelfde debiteurenrisico te aanvaarden onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. De Rechtbank vond het niet van belang dat BV X ten tijde van de (geclaimde) afwaardering niet meer verbonden was met BV Y. Ook tussen niet-gelieerde partijen kan sprake zijn van een lening met een debiteurenrisico dat een derde niet zou hebben aanvaard, maar dat de geldlenende vennootschap op zich neemt om het belang van haar aandeelhouder te dienen.

Commentaar
De kwalificatie als onzakelijke lening heeft in de gegeven situatie tot gevolg dat het niet aftrekbare bedrag voor belanghebbende definitief ‘verloren’ is. Zij kan dat bedrag ook bij liquidatie van de vroegere dochter-BV niet in aftrek brengen: het is geen deelneming meer, zodat de liquidatieverliesregeling niet aan de orde kan komen. Zie BelastingBelangen, april 2012: De aanpak van onzakelijk debiteurenrisico: de ODR-toets. De bedrijfsopvolging pakt zo wel erg duur uit voor senior: hij draait op voor het faillissement van junior!
Terug naar boven