Vraagtekens

Artikel 20a Wet Vpb ziet niet op latente verliezen

25 oktober 2022

Rechtbank Noord-Holland heeft beslist dat de beperking van de verliescompensatie in artikel 20a Wet Vpb niet geldt voor latente verliezen.

De aandelen van een BV behoorden toe aan de A-groep die in faillissement was. Het bezit van de BV bestond uit kantoorpanden en een bedrijfshal. Op 23 december 2015 werden de aandelen van de BV overgedragen. Hierbij werd voor de vastgoedportefeuille een prijs afgesproken van € 72,5 mln. Het eigen vermogen van de BV bedroeg volgens de commerciële balans op de verkoopdatum 23 december 2015 - na herwaardering van het vastgoed tot € 72,5 mln - ongeveer € 4,5 mln negatief. De fiscale boekwaarde van de vastgoedportefeuille was op de verkoopdatum 23 december 2015 € 89,8 mln. Op 29 december 2017 werden drie kantoorpanden overgedragen aan afzonderlijke dochtermaatschappijen van de BV die per 1 januari 2018 met de BV werden opgenomen in een f.e. voor de Vpb. Bij de aanslagregeling Vpb 2017 stelde de inspecteur dat er op grond artikel 20a Wet Vpb geen recht was op het in aanmerking nemen van de latente verliezen op het moment van de belangenwijziging. Volgens de inspecteur waren de bezittingen van de BV beleggingen in de zin van artikel 20a Wet Vpb en was het in 2017 op de drie kantoorpanden gerealiseerde boekverlies van in totaal € 4.296.591 materieel al aanwezig op 23 december 2015, toen het uiteindelijke belang in de BV in belangrijke mate wijzigde. De BV ging in beroep en stelde dat artikel 20a Wet Vpb niet van toepassing was op de op het moment van de belangenwijziging aanwezige latente verliezen.

Rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2022:4269) besliste dat uit de wettekst, de wetsgeschiedenis en de wetsystematiek in onderling verband en samenhang bezien, volgde dat de beperking van de verliescompensatie in artikel 20a Wet Vpb niet zag op latente verliezen. De andere uitleg van de staatssecretaris van Financiën in zijn besluit van 25 februari 2015 leidde niet tot een andere conclusie omdat de staatssecretaris de uitlatingen in deze besluiten niet had gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever maar als uitvoerder van de belastingwet. Volgens de Rechtbank volgde uit de bewoordingen van artikel 20a, lid 1, Wet Vpb dat de verliesverrekeningsbeperking alleen betrekking had op de verliezen die tot het moment van de belangenwijziging of aandeelhouderswisseling waren gerealiseerd. Deze uitleg kwam volgens de Rechtbank overeen met de jaarwinstbepaling en de regels van goedkoopmansgebruik, waarbij verliezen uiterlijk in aanmerking moesten worden genomen op het moment dat deze waren gerealiseerd.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie