Vraagtekens

Bezitseis BOF geldt per objectieve onderneming

19 april 2019

De bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet – de BOF – biedt een substantieel belastingvoordeel bij schenking of vererving van een onderneming: zie ook BelastingBelangen, augustus 2009: Bedrijfsopvolging door schenking of vererving van de onderneming. De BOF kent meerdere voorwaarden, een daarvan is de bezitseis. Bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen moet de BV tenminste vijf jaren een materiele onderneming hebben gedreven. Bij overlijden is die termijn één jaar. Rechtbank Zeeland – West-Brabant heeft recent beslist dat die termijn per objectieve onderneming moet worden toegepast. Als bij de schenking van aandelen in een holding-BV een dochtervennootschap van die holding nog geen vijf jaar een onderneming drijft is op dat deel van het vermogen de BOF niet van toepassing.

Koos Naam kreeg in januari 2014 van zijn ouders alle aandelen in BV X geschonken. Een schenking van € 472.000. In de aangifte schenkbelasting deed Koos een beroep op bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). De inspecteur verleende de BOF, maar over een lager bedrag dan Koos had gevraagd. Volgens de inspecteur kon de BOF niet worden toegepast op de waarde van de aandelen in twee dochtervennootschappen van BV X omdat die nog geen vijf jaar een onderneming dreven. BV X, de houdstervennootschap, dreef wél al meer dan vijf jaar – geconsolideerd bezien – een onderneming, maar twee van haar dochtervennootschappen niet.
Koos legde de zaak voor aan Rechtbank Zeeland – West-Brabant. Zonder succes: de Rechtbank stelde de inspecteur in het gelijk.
Voor de Rechtbank stelde Koos dat de bezitseis van de BOF alleen van toepassing was op de onderneming van de houdstervennootschap en dat een binnen die bezitstermijn verworven belang – een deelneming – in een dochtervennootschap opging in de bestaande onderneming. De Rechtbank was het daar niet mee eens: de bezitseis moet voor elke objectieve onderneming of een gedeelte daarvan afzonderlijk worden toegepast. In de berechte situatie was sprake van verschillende objectieve ondernemingen of gedeelten daarvan, ook al lagen de activiteiten van de dochtervennootschappen in elkaars verlengde. Als de bezitseis moest worden uitgelegd zoals belanghebbende voorstond zou een houdstervennootschap haar beleggingsvermogen in de vennootschap kort voor het overlijden van - of de schenking door haar aandeelhouder kunnen omzetten in ondernemingsvermogen door een pakket aandelen (van 5% of meer) te verwerven in een andere actieve vennootschap. Dat strookte niet met de bedoeling van de wetgever, zo leidde de Rechtbank uit de wetsgeschiedenis af.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak sprongcassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Commentaar
De Hoge Raad zal naar verwachting de uitspraak van Rechtbank Zeeland – West-Brabant bevestigen. Ons hoogste rechtscollege heeft al eerder beslist dat de BOF-voorwaarden per afzonderlijke objectieve onderneming beoordeeld moeten worden. Zie ook BelastingBelangen, april 2017: BOF: onderneming of niet, per activiteit beoordelen!

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie