Vraagtekens

Managementovereenkomst en verzekeringsplicht

18 april 2019

Rechtbank Gelderland heeft recent twee uitspraken gedaan over de fiscale positie van een DGA die vanuit zijn holding-BV – krachtens een managementovereenkomst – het bestuur voert over een werk-BV waarin hij minderheidsaandeelhouder is. Twee uitspraken, met een tegengesteld resultaat! In de ene procedure was de DGA wél in dienstbetrekking bij de werk-BV en derhalve verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen, in de andere procedure verhinderde het managementcontract een dienstbetrekking bij de werk-BV.
Uit beide uitspraken blijkt dat de inhoud van de managementovereenkomst – in combinatie met het feitencomplex – beslissend is voor de vraag of de werk-BV al dan niet premies werknemersverzekeringen moet afdragen.


BV X ontwikkelde en exploiteerde systeem- en gebruikssoftware en hardware. De bestuurders van BV X waren Y Ltd. en Z Ltd., de persoonlijke houdstervennootschappen van Mario Netten en Bennie Goedman. BV X had met die twee vennootschappen een managementovereenkomst gesloten voor de werkzaamheden die beide DGA’s voor de BV verrichten. Netten en Goedman hielden via hun houdstermaatschappij een minderheidsbelang in BV X; de overige aandelen waren in handen van derden. De inspecteur stelde dat de twee persoonlijke houdstervennootschappen voor de beoordeling van de arbeidsrechtelijke verhoudingen transparant waren en dat Netten en Goedman als feitelijk bestuurders een arbeidsovereenkomsten met BV X hadden. De BV was verzekeringsplichtig en had ten onrechte geen werknemersverzekering voor haar bestuurders afgedragen. De inspecteur corrigeerde dat met een naheffing over een reeks van jaren van € 59.691.

1452_2019-02-006.jpgRechtbank Gelderland besliste dat er in de gegeven situatie géén sprake was van een dienstbetrekking tussen BV X en beide DGA’s. De Rechtbank overwoog dat de bewijslast dat zo’n privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst wél bestond – in weerwil van de managementovereenkomsten die BV X met de houdstervennootschappen had gesloten – op de inspecteur rustte, én dat de inspecteur dat niet aannemelijk had gemaakt.
In de berechte situatie waren er volgens de Rechtbank aanknopingspunten voor beide standpunten. De onderneming van BV X was volledig afhankelijk van de persoonlijke capaciteiten van beide DGA’s: zij waren dan ook verplicht hun persoonlijke arbeid voor BV X in te zetten. Maar daar stond tegenover dat de twee DGA’s hun persoonlijke kennis en expertise ook mochten gebruiken voor de ontwikkeling van nieuwe concepten die zij naar eigen believen zowel binnen als buiten BV X konden exploiteren. De DGA’s ontvingen in hun persoonlijke houdstervennootschappen een managementfee van BV X; die fee was lager in de tijden dat het slecht ging met BV X. Beide DGA’s konden – formeel gezien – hun ontslag als (feitelijk) bestuurder van BV X niet tegenhouden, vanwege hun positie als minderheidsaandeelhouder. Dat vond de Rechtbank niet doorslaggevend. Wél beslissend vond de Rechtbank dat BV X managementovereenkomsten met beide Ltd's had afgesloten en geen arbeidsovereenkomsten met beide DGA’s in persoon. De formuleringen in de managementovereenkomsten sloten aan bij een overeenkomst van opdracht, zonder dat er specificaties werden gegeven over de voorwaarden waaronder de opdracht moest worden uitgevoerd, zoals werktijden en vakantiedagen, gebruik van een auto, een onkostenregeling of andere voorwaarden die passen bij een arbeidsovereenkomst. De Rechtbank besliste dat er vanwege de managementovereenkomsten geen sprake was van een dienstbetrekking tussen BV X en beide DGA’s: de naheffing werknemersverzekeringen werd vernietigd.

In een vergelijkbare casuspositie kwam Rechtbank Gelderland tot een ander oordeel.
Drie DGA’s hadden middels een persoonlijke houdstervennootschap een belang van – ieder – 22% in de werk-BV X. De overige aandelen waren in handen van een derde partij. De drie DGA’s waren via hun persoonlijke houdstervennootschappen krachtens een managementovereenkomst werkzaam voor de werk-BV X. De inspecteur stelde bij beschikking vast dat de drie DGA’s in dienstbetrekking waren bij de werk-BV en dat die BV ten onrechte geen werknemersverzekeringen had afgedragen.
In de daaropvolgende procedure was Rechtbank Gelderland het daar mee eens.
De Rechtbank motiveerde die beslissing met een verwijzing naar de managementovereenkomsten tussen de persoonlijke houdstervennootschappen van de DGA’s en de werk-BV. Daarin was onder meer vastgelegd dat de houdstervennootschappen niet zonder voorafgaande toestemming van BV X de werkzaamheden door anderen dan de drie DGA’s mocht laten uitvoeren. Er was een maandvergoeding afgesproken van € 11.666 (excl. BTW), waarbij uitgegaan was van 40 uur per week; bij ziekte werd die vergoeding maximaal 12 maanden doorbetaald. Ook het non-concurrentiebeding in de managementovereenkomsten paste volgens de Rechtbank meer bij een arbeidsovereenkomst. Geen van de aandeelhouders had een doorslaggevende stem in BV X.
De Rechtbank besliste dat de managementovereenkomsten op naam stonden van de houdstervennootschappen, maar dat die naar inhoud en strekking zagen op een arbeidsverhouding tussen BV X en de drie DGA’s. De Rechtbank bevestigde de naheffing van premies werknemersverzekering.

Commentaar
In korte tijd hebben we meerdere uitspraken over de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking tussen de werk-BV en de DGA die vanuit zijn persoonlijke houdstervennootschap met een managementovereenkomst zijn werkzaamheden voor die werk-BV verricht. Twee uitspraken van rechtbank Gelderland, en een van Hof Den Haag: zie ook BelastingBelangen, februari 2019: DGA-manager: geen dienstbetrekking met werk-BV. In alle procedures heeft de DGA via zijn houdstervennootschap een minderheidsbelang in de werk-BV. Het belang betreft de premies werknemersverzekering: als de DGA niet in dienst is bij de werk-BV – waarin hij via zijn houdstervennootschap een minderheidsbelang heeft – komt premieheffing niet aan de orde. Ook de Regeling aanwijzing DGA komt pas in beeld als de DGA in dienstbetrekking werkzaam is. Zie ook BelastingBelangen, april 2016: Premieplicht DGA’s met 2 x 40% aandelenbezit?
De uitspraken maken duidelijk dat het opstellen van een fiscaal correcte managementovereenkomst van groot belang is om de premieplicht te voorkomen.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie