Vraagtekens

Renteaftrekbeperking en tegenbewijs: meer duidelijkheid

28 februari 2007

De wet op de vennootschapsbelasting kent diverse renteaftrek-beperkingen. Naast de algemene renteaftrekbeperking – als de BV te veel vreemd vermogen heeft – kent de wet een specifieke regeling gericht tegen constructies waarbij op gekunstelde wijze het eigen vermogen van de BV wordt omgezet in rentedragend vreemd vermogen. Bijvoorbeeld als dividend wordt gedeclareerd en de BV dat dividend rentedragend schuldig blijft. Of bij het verhangen van een deelneming binnen een concern, waarbij de koopsom wordt schuldig gebleven of gefinancierd met een lening van een (andere) groepsmaatschappij.
Deze renteaftrekbeperking roept in de praktijk veel vragen op, met name als er zakelijke redenen zijn voor de onderliggende transacties. De wet kent voor dergelijke situaties een tegenbewijsregeling. Rechtbank Den Haag heeft in een recente uitspraak meer duidelijkheid gegeven over de renteaftrekbeperking én de bijbehorende tegenbewijsregeling.

De procedure betreft een feitelijk gecompliceerde ontvlechting van een concern, waarbij de aandelen in diverse (klein-)dochtervennootschappen van eigenaar verwisselden. De koopsom van die aandelenpakketten werd schuldig gebleven, of voldaan uit liquide middelen verkregen door dividenduitkeringen van andere groepsmaatschappijen die daarvoor op hun beurt ook weer – binnen en buiten het concern – geld leenden. Die leningen werden voor het merendeel verstrekt door een in het concern opgenomen coördinatiecentrum in België. Dat centrum was aan een fiscaal gunstig regime onderworpen, met een effectieve belastingdruk van zo’n 5%.
De belanghebbende in de procedure betaalde over 2001 én 2002 bijna € 1,4 mln. rente aan het Belgische coördinatiecentrum en claimde daarvoor aftrek. De inspecteur verleende die aftrek slechts gedeeltelijk, het overgrote deel van de rente was volgens hem niet aftrekbaar op grond van de hiervoor genoemde renteaftrekbeperking. Belanghebbende verzette zich tegen die correctie en voerde drie redenen aan voor een volledige renteaftrek:

• De ontvlechting van het concern had op strikt zakelijke gronden plaatsgevonden. Belanghebbende droeg vele feiten en omstandigheden aan ter onderbouwing van die stelling. De rechter ging daar in mee: hij erkende de zakelijkheid van de ontvlechting van het concern, maar besliste dat de zakelijke motieven voor de aandelentransacties niet voldoende waren voor een volledige renteaftrek. Voor het alsnog verlenen van een volledige renteaftrek op grond van de tegenbewijsregeling is niet alleen vereist dat de onderliggende transacties zakelijk zijn, maar ook dat de gekozen vorm van financiering van die transacties in overwegende mate zakelijk is. En dat laatste was niet gebleken. De omvang van het vreemd vermogen was, bezien vanuit het gehele concern , door de reorganisatie niet afgenomen, maar ná de ontvlechting werd rente aan het Belgische coördinatiecentrum betaald, terwijl dat voordien niet het geval was. En daarvoor had belanghebbende geen zakelijke argumenten
aangedragen.

• De rente die belanghebbende aan het coördinatiecentrum betaalde, was in België onderworpen aan een winstbelasting, die – zo stelde belanghebbende – qua grondslag en tarief in overeenstemming was met de normen van de OESO-lidstaten. Daardoor kon de heffing van winstbelasting van het coördinatiecentrum in België aangemerkt worden als een compenserende heffing, als bedoeld in de tegenbewijsregeling. De renteaftrekbeperking moest daarom buiten toepassing blijven.
De rechtbank verwierp dit standpunt. Het Belgische coördinatiecentrum betaalde effectief in 2001 slechts 4,81% belasting, en daarin was de Belgische coördinatietax begrepen. Die tax kon volgens de rechtbank niet als een winstbelasting worden aangemerkt, en telde derhalve niet mee als compenserende heffing. De winstbelasting ten laste van het Belgische coördinatiecentrum kwam daardoor te laag uit om een compenserende
heffing aanwezig te achten. Volgens de rechtbank moest de lokale winstbelasting toch zeker op 7% uitkomen om van een compenserende heffing te kunnen spreken. Uit de wet ‘Werken aan winst’ leidde de
rechtbank af dat voor een compenserende heffing naar de huidige opvattingen een heffing tegen een tarief van 10% vereist is.

• Als laatste voerde belanghebbende aan dat de renteaftrekbeperking in strijd was met het EG-verdrag, en in het bijzonder met de vrijheid van kapitaalverkeer.
De rechtbank verwierp die stelling. De wetgever had de renteaftrek-beperking op goede gronden ingevoerd. Het tegengaan van een uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag kon deze regeling dragen, zeker nu de wetgever door het invoegen van een tegenbewijsregeling adequate maatregelen had getroffen om overkill
van de regeling te voorkomen.

Commentaar
Een belangwekkende uitspraak, met name voor BV’s die in internationaal concernverband werkzaam zijn. De rechtbank verduidelijkt de reikwijdte van de renteaftrekbeperking én de tegenbewijsregeling. Opmerkelijk daarbij is met name de ‘knip’ in de buitenlandse winstbelasting die de rechtbank maakt om vast te stellen of er al dan niet sprake is van een compenserende heffing op grond waarvan de renteaftrekbeperking achterwege kan blijven. Meer duidelijkheid betekent dat ondernemers en hun adviseurs beter weten waar ze aan toe zijn, en dat is wél pure winst.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie