Vraagtekens

BOF niet voor BV's die jarenlang alleen vastgoed verhuurden

28 augustus 2019

De BOF is alleen van toepassing als de BV waarop het a.b. betrekking heeft een materiële onderneming drijft. Daarvan is bij de jarenlange verhuur van vastgoed volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant geen sprake, zodat uit de onderstaande zaak blijkt.

Mevrouw Y overleed in 2013. Haar echtgenoot X en hun twee kinderen waren haar erfgenamen. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden 100% van de aandelen van Beheer BV A die alle aandelen bezat in dochter-BV B. Tot het vermogen van BV A behoorden op het moment van overlijden diverse (boven)woningen, twee winkelruimten, een bedrijfspand, een bosperceel en een perceel grond. BV A verhuurde de (boven)woningen (die door BV B waren gebouwd) en de winkelruimten. Sinds de verkrijging van deze onroerende zaken in de zestiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw had BV A geen andere onroerende zaken meer aangekocht. BV B had na de tachtiger jaren geen nieuwe projecten meer gerealiseerd en geen aannemingswerk meer verricht. De omzet van de BV's bestond in 2012, 2013 en 2014 uit huurinkomsten van € 210.000 en de kosten bestonden voornamelijk uit huisvestingskosten. X en zijn dochter waren in loondienst van BV A en ook mevrouw Y was daar in loondienst geweest. X verzocht in de aangifte erfbelasting om toepassing van de BOF voor de aandelen BV A. De inspecteur weigerde dit, waarop X in beroep ging.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het met de inspecteur eens dat BV A geen materiële onderneming dreef. De activiteiten van BV A bestonden sinds de jaren tachtig uit de verhuur van onroerende zaken en de werkzaamheden hiervoor gingen het normaal vermogensbeheer niet te boven. Het feit dat de werkzaamheden die samenhingen met de verhuur door eigen personeel van BV A werd verricht (in 2013 door X en zijn dochter), de werkzaamheden van diverse aard waren en aan deze werkzaamheden een groot aantal arbeidsuren was besteed, maakten nog niet dat sprake was van een onderneming in materiële zin. De aard van de werkzaamheden die werden verricht vanuit BV kwamen volgens de Rechtbank grotendeels overeen met werkzaamheden ter zake van verhuur van onroerende zaken. BV B had na de realisatie van de bouw van de onroerende zaken in de jaren tachtig geen nieuwe projecten meer ontwikkeld of opdrachten in het kader van het aannemingsbedrijf uitgevoerd. Ook BV B dreef volgens de Rechtbank in 2013 geen onderneming in materiële zin. De BOF was niet van toepassing.

Commentaar
Bij de vraag of sprake is van ondernemingsvermogen waarop de BOF van toepassing kan zijn, geldt dat het om vermogen moet gaan dat behoort bij een onderneming in materiële zin. Daarvan is sprake bij een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk productieproces met het oogmerk winst te behalen. Bij exploitatie van onroerende zaken geldt, dat de verrichte arbeid naar aard en omvang meer méér omvatten dan wat gebruikelijk is bij normaal vermogensbeheer en dat het tot doel moet hebben om een rendement te behalen dat het rendement van normaal vermogensbeheer te boven gaat. Voor de vraag of sprake is van een materiële onderneming zijn de omvang van de vastgoedportefeuille en de omvang van het personeelsbestand niet bepalend. Bepalend is of sprake is van "meerarbeid" waardoor "meerrendement" wordt behaald: er moet zijn voldaan aan de "plus-arbeid"- en "plus-rendement"-toets.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie