Vraagtekens

Box 3-heffing 2017-2019 buitensporig ondanks bankrekening van € 1,2 mln

16 december 2021

Rechtbank Zeeland-West-Brabant beslist in de volgende zaak dat de box 3-heffing een buitensporige last vormde, ondanks dat een echtpaar een vermogen had van € 1,2 mln.

Een man en zijn echtgenote genoten in 2017, 2018 en 2019 geen inkomsten uit arbeid. Het echtpaar bezat een woning met een WOZ-waarde van ruim € 380.000 en ongeveer € 1.250.000 aan bank- en spaartegoeden. Het echtpaar ging in beroep tegen de aanslagen IB 2017, 2018 en 2019 en stelde dat de box 3-heffing leidde tot een individuele en buitensporige last.

1621_25.jpgRechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2021:5149) stelde vast dat het echtpaar voor 2018 en 2019 had moeten interen op hun vermogen om de belasting te kunnen voldoen. De totale box 3-heffing over het vermogen was hoger dan de rente die zij hadden ontvangen en die ook hun enige inkomen was. Met betrekking tot het jaar 2017 was de uiteindelijk verschuldigde belasting (€ 11.870) lager dan de in 2017 ontvangen rente (€ 12.577), maar in dat jaar speelde de algemene heffingskorting een belangrijke rol. De Rechtbank vond het in dit verband - gelet op het karakter van de algemene heffingskorting als een tegemoetkoming om een minimuminkomen onbelast te houden - dat ook voor dit jaar sprake was van een individuele en buitensporige last. Als het reële inkomen van het echtpaar, bestaande uit de rente-inkomsten van € 6.288 per persoon, werd verminderd met het bedrag aan minimuminkomen, resteerde niet voldoende beschikbaar inkomen om de in 2017 verschuldigde belasting te betalen. Daarmee was volgens de Rechtbank dan ook aannemelijk dat het echtpaar ook in 2017 had moeten interen op hun vermogen om de belasting te moeten betalen. De Rechtbank bepaalde de omvang van het rechtsherstel door het belastbare inkomen uit sparen en beleggen schattenderwijs vast te stellen. De Rechtbank stelde de box 3-inkomens van zowel de man als de vrouw voor de jaren 2017, 2018 en 2019 vast op respectievelijk € 6.280, € 2.770 en € 2.590. De Rechtbank nam daarbij in aanmerking dat de box 3-heffing dan beter aansloot op de werkelijk ontvangen rente.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie