Vraagtekens

Hoog erfbelastingtarief en lage vrijstelling voor erfenis van biologische vader

24 juni 2021

Rechtbank Gelderland heeft beslist dat een niet-erkend kind bij een erfenis van zijn biologische vader geen aanspraak kan maken op tariefgroep I en de vrijstelling voor kinderen.

1590_18.jpgDe in 1996 geboren A die bij zijn moeder en haar echtgenoot woonde, was in oktober 2001 door die echtgenoot erkend als kind. In 2017 overleed de biologische vader van A. Hij was bij testament benoemd tot één van de erfgenamen en verkreeg € 503.932. In de aangifte erfbelasting claimde hij tariefgroep I met de vrijstelling voor kinderen. De inspecteur legde een aanslag op naar het derdentarief met de vrijstelling voor overige verkrijgers. A ging in beroep en stelde dat de vrijstelling voor kinderen gold omdat het om een erfenis van zijn biologische vader ging.

Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2021:1347) was het echter met de inspecteur eens dat alleen bloedverwantschap (in biologische zin) onvoldoende was voor tariefgroep 1 en de vrijstelling voor kinderen. Voor de toepassing van de Successiewet moest in beginsel het BW worden gevolgd, tenzij de fiscale wettekst een afwijking voorschreef. Omdat uit het BW volgde dat de juridische term bloedverwantschap niet gelijk stond aan feitelijk verwantschap in den bloede, kon A geen aanspraak maken op de kindvrijstelling en ook niet op tariefgroep 1. De fiscale wetgever had geen afwijkende definitie gegeven van het begrip bloedverwant, zodat volgens de Rechtbank voor de definitie hiervan moest worden teruggevallen op het BW. Hoewel het BW geen definitie gaf van het begrip bloedverwant, volgde volgens de Rechtbank uit het systeem van de wet dat dit begrip moest worden gezien als de formele familierechtelijke band tussen personen. Omdat de biologische vader ten tijde van de geboorte van A niet met de moeder van A was gehuwd, en A ook niet door zijn biologische vader was erkend, en het vaderschap niet gerechtelijk was vastgesteld en A niet door zijn biologische vader was geadopteerd, kon A juridisch gezien niet als kind van zijn biologische vader worden aangemerkt. Dit betekende dat er geen familierechtelijke betrekking bestond tussen A en zijn biologische vader, ook al was er biologische verwantschap tussen hen beiden. Naar Nederlands recht was A geen kind van zijn biologische vader, zodat niet voldaan was aan de eis voor tariefgroep 1 en de kindvrijstelling.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie