Vraagtekens

IB-ondernemerschap voor rentmeester die via kosten-BV opereerde

24 juni 2021

Rechtbank Noord-Nederland heeft beslist dat de opbrengsten genoten door een via een gezamenlijke BV opererende rentmeesters, belast waren als winst uit onderneming bij de rentmeester.

Een rentmeester stond vanaf december 2011 bij de KvK als eenmanszaak ingeschreven als bemiddelaar bij de handel en (ver)huur van onroerend goed en als adviseur voor grond- en pachtzaken. In 2012 verkreeg hij een aandelenpakket in de BV die was opgericht om als rentmeester onder gezamenlijke naam naar buiten te kunnen treden en om bepaalde kosten te delen. Het aandelenbelang in de BV vormde voor de rentmeester een a.b. De BV berekende 15% van de bruto jaaromzet als overhead-fee. De inspecteur vond dat de rentmeester over 2014 geen winst uit onderneming genoot, maar resultaat uit overige werkzaamheden. De rentmeester ging in beroep en stelde hij weliswaar onder de vlag van de BV opereerde maar dat het zijn opdrachtgevers ging om zijn persoon, zijn deskundigheid en zijn ervaring.

Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2020:4506) stelde de rentmeester in het gelijk. De BV had de opdrachten aangenomen en verricht en niet de rentmeester in privé. In wezen hadden de rentmeesters onderling echter samengewerkt alsof zij een vof of maatschap van beroepsbeoefenaars waren, die de kosten deelden en voornamelijk als collectief naar buiten traden uit commerciële motieven en vanwege synergievoordelen en het delen van kennis. De BV had volgens de Rechtbank voor deze door iedere rentmeester afzonderlijk behaalde omzet, als kassier gefunctioneerd. De Rechtbank besliste dat de werkzaamheden naar fiscaalrechtelijke maatstaven zelfstandig en voor rekening en risico van de rentmeester zelf (in privé) waren verricht. Ook werd de rentmeester rechtstreeks verbonden voor verbintenissen van zijn onderneming zodat aan de voorwaarden voor het fiscale ondernemerschap was voldaan. Het resultaat van deze beslissing was volgens de Rechtbank wel dat de rentmeester in feite van twee walletjes kon eten: aan de ene kant genoot hij extern bescherming door naar buiten toe in de rechtsvorm van een BV te werken, en tegelijkertijd profiteerde hij van de IB-ondernemersfaciliteiten. Dat de zaak toch zo afliep, kwam omdat het ging om een zuiver fiscaal-juridische invulling van bewust opengelaten normen die bepaalden wanneer iemand IB-ondernemer was. De situatie voldeed aan zoveel in de fiscale jurisprudentie voor het ondernemerschap essentieel geachte voorwaarden, zoals de zelfstandigheid en het lopen van ondernemersrisico's, dat het voldoen aan die criteria zwaarder moest wegen dan de civiel-juridische huls van de BV die was gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie