Vraagtekens

Lening door pensioenstichting aan verlieslijdende BV onzakelijk

28 augustus 2019

Niet alleen in aandeelhoudersrelaties kan sprake zijn van een onzakelijke lening, maar ook in situaties waarin een debiteurenrisico wordt aanvaard op grond van persoonlijke relaties tussen natuurlijke personen. In de volgende zaak werd een stichting opgericht door dezelfde persoon als de enig aandeelhouder en bestuurder van een BV en degene aan wie de stichting het pensioen ging uitkeren. Hof Amsterdam besliste dat een lening van een stichting aan een BV waarvan die stichting de pensioenverplichtingen had, een onzakelijke lening was. Die lening kon daarom niet worden afgewaardeerd ten laste van de winst.

Een DGA richtte een stichting op om pensioenregelingen uit te voeren voor werknemers van zijn BV. De stichting nam in oktober 2009 de pensioenverplichting jegens de DGA en zijn echtgenote over van de BV. De waarde daarvan bedroeg per 1 november 2009 € 3.122.030. De BV bleef bijna € 3 mln schuldig tegen 5% rente, zonder dat verder zekerheden werden gesteld. Het resultaat van de BV in 2009 was ruim € 3,5 mln negatief. Begin 2011 verkocht de BV de aandelen in haar dochter-BV aan een zustermaatschappij voor € 8 mln. Deze BV bleef de koopsom schuldig. Later in dat jaar, in juni 2011, verkocht de zustermaatschappij de aandelen in de dochter-BV aan een onafhankelijke derde voor € 1. In haar aangifte Vpb 2011 waardeerde de stichting haar vordering op de BV van inmiddels ruim € 3,2 mln af tot nihil. De inspecteur stond dat niet toe omdat de lening volgens hem onzakelijk was. De stichting ging in beroep en stelde dat de aan de BV verstrekte lening niet binnen het bereik van de onzakelijkeleningenrechtspraak viel omdat zij en de BV niet waren gelieerd.

Hof Amsterdam besliste net als de Rechtbank dat de onzakelijkeleningjurisprudentie als uitgangspunt moest worden genomen, maar anders dan de Rechtbank besliste het Hof dat de lening die de stichting aan de met haar - via de DGA - verbonden BV had verstrekt, moest worden aangemerkt als een onzakelijke lening en dat het verlies uit hoofde van de afwaardering van die lening in 2011 niet in aftrek van de winst van de stichting kon komen. De inspecteur had volgens het Hof aannemelijk gemaakt dat de BV ten tijde van de geldverstrekking niet solvabel was. Door onder deze omstandigheden aan de BV een lening van bijna € 3 mln te verstrekken zonder daarbij enige vorm van zekerheid te vragen, ook niet bijvoorbeeld in de vorm van een garantstelling of borgstelling door de DGA (enig aandeelhouder van de BV) die met zijn partner per 31 december 2009 voor circa € 3,4 mln een schuld had aan de BV, had de pensioenstichting een debiteurenrisico op zich genomen dat een derde niet zou hebben aanvaard. De stichting had het uit de lening voortvloeiende volle debiteurenrisico aanvaard met de bedoeling het belang van de BV uit hoofde van de (persoonlijke) betrekkingen tussen haar en de stichting te dienen. Dit betekende dat de stichting het verlies op de lening niet in aftrek kon brengen.

Commentaar
De pensioenstichting ging er ten onrechte vanuit dat de onzakelijkeleningrechtspraak niet op haar van toepassing kon zijn omdat tussen haar en de BV geen aandeelhoudersrelatie bestond. Die rechtspraak is echter wel degelijk van toepassing omdat de oprichter/bestuurder van de pensioenstichting en de enig aandeelhouder van de BV een en dezelfde persoon zijn. De aandeelhouder had niet alleen een belang bij de BV maar ook bij het vermogen van de pensioenstichting. Daardoor vond ook in dit geval het door de pensioenstichting geleden debiteurenverlies niet zijn oorzaak in de door haar gedreven onderneming, maar in de (persoonlijke) betrekkingen. Met als gevolg het verdwijnen van een aftrekpost van ruim € 3 mln.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie