Vraagtekens

Lening van belastingadviseur aan cliënt geen ondernemingsvermogen

28 augustus 2019

Het uitlenen van geld aan cliënten brengt altijd risico's met zich mee, maar kan ook fiscale gevolgen hebben. Dat blijkt uit een recente uitspraak van Hof Den Haag. Een belastingadviseur die een lening had verstrekt aan een client, kon de afwaardering van de vordering niet op zijn winst in mindering brengen.

1473_bb201908-art3.jpgBelastingadviseur X was zelfstandig werkzaam en hield zich bezig met het verzorgen van fiscale aangiften, het opstellen van jaarrekeningen en het geven van belasting- en bedrijfsjuridische adviezen. Tussen 1981 en 2005 en in 1990 en 1991 participeerde hij in twee commanditaire vennootschappen. In 1999 verstrekte hij aan een cliënt een Tante Agaath-lening en in 2006 ten behoeve van een cliënt een bankgarantie. In 2009 verstrekte de belastingadviseur een lening aan cliënte Y die schoonheidssalons exploiteerde. Het bedrag van de lening liep in de loop van de jaren steeds verder op. In januari 2014 bedroeg zijn vordering € 378.700 en stond ook voor € 49.300 aan facturen open. In februari 2014 ging mevrouw Y failliet, waarna X zijn vordering afwaardeerde en in zijn aangifte IB 2014 een verlies van € 127.000 in aftrek bracht.

Hof Den Haag was het met Rechtbank Den Haag eens dat de inspecteur de aftrek van dit afwaarderingsverlies terecht had geweigerd. De geldlening was namelijk niet verstrekt in het kader van de normale uitoefening van de onderneming van X en niet dienstbaar aan zijn onderneming. Het verstrekken van geldleningen betrof een andere activiteit die onvoldoende samenhang vertoonde met zijn activiteiten als fiscaal- en bedrijfsjuridisch adviseur. De activiteiten van de onderneming van X konden volgens het Hof niet ruimer worden opgevat, in die zin dat daaronder ook het verstrekken van gelden viel. Bovendien hadden de geldverstrekkingen, gelet op het aantal daarvan en de tijdsspanne die daartussen zat, een incidenteel karakter. De verstrekte Tante Agaath-lening aan een cliënt in 1999 en de bankgarantie ten behoeve van een cliënt in 2006 waren incidenten, die zich al lang geleden hadden voorgedaan. De participaties in commanditaire vennootschappen, die ook in een ver verleden hadden plaatsvonden, waren niet te vergelijken met het uitlenen van gelden aan derden. De vordering op de cliënte behoorde niet tot het ondernemingsvermogen en de afwaardering was dus niet aftrekbaar.

Commentaar
Het antwoord op de vraag of een vermogensbestanddeel tot het ondernemingsvermogen of het privévermogen behoort, is afhankelijk van de wil van de ondernemer. Deze keuzevrijheid wordt echter wel beperkt door de grenzen der redelijkheid. Vermogensbestanddelen die geen enkele of slechts een verwaarloosbare band met de onderneming hebben, behoren verplicht tot het privévermogen. Een vordering uit hoofde van een lening kan tot het ondernemingsvermogen worden gerekend als de lening is verstrekt binnen het kader van de normale uitoefening van de onderneming. Hierop geldt wel een uitzondering: als sprake is van de belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen op een zodanige manier dat kan worden aangenomen dat de belegde middelen tijdig weer in de onderneming beschikbaar zullen zijn.

Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie