Vraagtekens

Woning en bedrijfspand splitsbaar: woning privévermogen

28 augustus 2019

Veel fiscale procedures gaan over de etikettering van vermogen van de ondernemer, en dan vooral om onroerend goed en in het bijzonder het woonhuis van de ondernemer. Zo ook in de onderstaande uitspraak, waarin Rechtbank Noord-Holland besliste dat een woning van een ondernemer privévermogen was.

1476_bb201908-art13.jpgOndernemer X kocht in 2009 een perceel bouwgrond waarop hij twee panden liet bouwen: een bedrijfspand/kantoor van 1.923 m³ en een woning van 1.083 m³. In 2014 vroeg hij om een "afstemming waarde economisch verkeer" in verband met zijn voornemen tot inbreng van zijn vof-aandeel in een BV. De taxatie leidde tot een totaalwaarde van € 1.302.000 waarvan 55% werd toegerekend aan het kantoorpand met ondergrond (€ 719.000) en 45% aan de woning met ondergrond en aanhorigheden (€ 583.000). X merkte de woning aan als ondernemingsvermogen. De inspecteur vond echter dat de woning privévermogen was. Rechtbank Noord-Holland was het daarmee eens. Het kantoor en het woondeel (de woning) waren constructief zelfstandig bruikbare gebouwen die aan elkaar waren geschakeld door middel van een gemeenschappelijke entree. Beide panden hadden een eigen opgang en voorzieningen en waren daardoor volledig zelfstandig van elkaar te gebruiken. Er waren gemeenschappelijke technische voorzieningen maar die waren volgens de Rechtbank eenvoudig en tegen beperkte kosten te splitsen en dat was nog geen reden om het kantoorgedeelte en de woning als één object in fiscale zin te kwalificeren. Dat de panden van binnenuit met elkaar waren verbonden door een tussendeur en vluchtroute, deed volgens de Rechtbank ook niet af aan de conclusie dat het in fiscaal opzicht om twee panden ging. Ook naar het spraakgebruik was sprake van twee afzonderlijk te gebruiken en rendabel te maken panden. De Rechtbank verwierp de stelling dat de woning keuzevermogen was omdat de in de woning aanwezige kantoorruimte ook voor de onderneming werd gebruikt. De werkruimte in de woning betrof minder dan 10% van de inhoud van de woning zodat dat gebruik op zichzelf onvoldoende was om de woning als keuzevermogen te etiketteren.

Ons commentaar
Bij het etiketteren van vermogen staat de wil van de ondernemer voorop. Hij is in principe vrij in zijn keuze, maar die keuzevrijheid wordt beperkt door de grenzen van de redelijkheid. De keuzevrijheid is er niet met betrekking tot vermogensbestanddelen die gezien hun aard of functie verplicht tot het ondernemings- of tot het privévermogen behoren. Zo behoort een pand dat om zakelijke redenen is gekocht en een wezenlijke functie vervult in de onderneming tot het verplichte ondernemingsvermogen. Het woonhuis van de ondernemer dat niet in de onderneming wordt gebruikt, is naar zijn aard privévermogen. Een als woonhuis gebruikte woning kan binnen de grenzen der redelijkheid tot het ondernemingsvermogen worden gerekend als de bewoning ervan mede dienstbaar is aan de bedrijfsuitoefening. Voor een pand dat in de ondernemingssfeer én in de privésfeer wordt gebruikt, is in de jurisprudentie de regel geformuleerd dat het hele pand tot het ondernemingsvermogen moet worden gerekend als het voor meer dan 90% is bestemd voor zakelijk gebruik. Als het zakelijk gebruik minder is dan 10%, moet het hele pand tot het privévermogen worden gerekend.
Terug naar boven

Privacy

Deze website maakt gebruik
van cookies. Meer informatie